Op 14 april 1908 vond spoorwegarbeider Zacharias Lewala een glinsterende steen bij de spoorlijn langs Lüderitz. Hij gaf de vondst aan zijn Duitse chef August Stauch, die meteen inzag dat het om een diamant ging en de winning in het gebied op gang bracht. De ontdekking leidde tot een diamantkoorts die tussen 1908 en het begin van de Eerste Wereldoorlog meer dan duizend kilogram diamanten opleverde.

De mijnstad Kolmanskop groeide razendsnel van een eenvoudige halte langs de spoorlijn tot een afgesloten stad met voorzieningen die je eerder in een welvarende Europese stad zou verwachten: een ziekenhuis met het eerste röntgenapparaat van het zuidelijk halfrond, een school, een elektriciteitscentrale, een kegelbaan, een theater, een balzaal, een casino, een ijsfabriek en zelfs de eerste tram van Afrika.

In 1928 werden bij de Orange River rijkere diamanthoudende afzettingen ontdekt, 270 kilometer ten zuiden van Kolmanskop. Het nieuwe gebied trok kapitaal en arbeidskrachten weg, waardoor de bevolking van Kolmanskop begon af te nemen. De laatste bewoners verlieten de stad ergens tussen 1954 en 1956, waarna de gebouwen langzaam leegliepen.

Het droge woestijnklimaat heeft veel details verrassend goed bewaard, maar zand stroomt voortdurend door open ramen en deuren naar binnen en vormt steeds hogere hellingen op de vloeren. In sommige kamers zit nog steeds het gekleurde behang uit het begin van de 20e eeuw, terwijl de rest van het interieur langzaam onder het zand verdwijnt.

Tegenwoordig wordt Kolmanskop beheerd door Namdeb, een joint venture tussen de Namibische overheid en diamantconcern De Beers. Bezoekers moeten een vergunning aanvragen en betalen, afhankelijk van het type toegang, tussen N$130 en N$230 per volwassene. Fotografen kunnen een duurdere vergunning verkrijgen om buiten de reguliere openingstijden te werken, zodat ze de kamers kunnen vastleggen voordat het felle woestijnlicht de schaduwen uitwist.

Kolmanskop dient nu als een tastbare herinnering aan hoe snel de belofte van grondstoffenrijkdom kan omslaan in een verlaten woestijnlandschap. De stad trekt toeristen, historici en fotografen die de vergane luxe willen ervaren en de onstuitbare kracht van de Namibische woestijn willen aanschouwen.